Reizen vermijden, nauwelijks durven eten en voortdurend controleren of iemand misselijk wordt: emetofobie kan een leven beheersen. Psychologe Maartje Kroese (40) behandelt mensen met deze onderschatte angst door ze juist te confronteren met wat ze het meest vrezen.
Sneller bij nieuws dat ertoe doetStel Metro in als voorkeursbron en je vindt ons nieuws altijd terug in Google.
Instellen →
Daniëlle Vloedman (53), secretaresse van beroep, was 13 toen ze zich bewust werd dat ze emetofobie had. Het kardinale moment, herinnert ze zich levendig, was dat haar zus zelf kotsmisselijk werd na het opruimen van het braaksel van de zieke kat thuis. Dat beeld zou het leven van de Vlaardingse puber ingrijpend veranderen.
„Mijn zus en ik waren alleen thuis”, vertelt Daniëll2. „Een van de poezen moest geregeld overgeven – normaal gesproken ruimden mijn ouders dat op. Mijn zus keek er eerst vies naar, pakte een emmertje en veegde de kots op met papier van de keukenrol. Op dat moment werd zij zelf misselijk en moest ze overgeven. Dit gaat niet goed, dacht ik. Ik stuurde haar naar boven en ruimde het zelf op. Probleemloos.”
Zo begon de emetofobie van Daniëlle op haar dertiende
„Maar er gebeurde iets anders in mijn hoofd. Ik dacht ineens: stel je voor dat er iemand anders bij komt die hier óók misselijk van wordt. Ik wilde niet alleen zelf niet ziek worden; ik wilde ook voorkomen dat een ander in mijn omgeving zou moeten overgeven.
De kat was een paar dagen ziek. Ik hoorde hem ’s nachts weer overgeven en dan ging ik mijn bed uit. Voordat mijn moeder het ziet, dacht ik, wil ik het hebben opgeruimd. Want stel je voor dat zij misselijk wordt. Ik was compleet gefocust op alles wat met overgeven te maken had, zowel bij mensen als dieren.”
Daniëlle ontwikkelde een scherpe alertheid voor alles wat met overgeven te maken heeft. Nog altijd let ze op mensen die overmatig slikken, gapen, transpireren – dikwijls de voorbodes van overgeven. En hoewel haar pathologische angst de laatste jaren minder dominant is geworden, staat haar ‘emetofobie-radar’ altijd aan. Bijvoorbeeld in de directe omgeving van dronken mensen. Of wanneer ze passagiers, vooral kinderen, in de auto heeft. Wagenziekte ligt immers altijd op de loer.
Psychologe Maartje Kroese behandelt emetofobie met confrontatie
Psychologe Maartje Kroese richtte acht jaar geleden Kindt Clinics in Amsterdam op, vernoemd naar de Nederlandse (angst)psychologe Merel Kindt, hoogleraar klinische psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Zij ontdekte in haar onderzoek de Memrec-methode, een therapie waarbij mensen met angststoornissen in twee sessies een fobie kunnen overwinnen.
Kroese: „Emetofobie behoort in onze dagelijkse praktijk tot de meest voorkomende fobieën en staat in de top tien tussen de angst voor spinnen, vogels, hoogte- en pleinvrees, angst voor naalden, claustrofobie, insecten, kikkers en vliegangst. Uiteindelijk geldt voor elke fobie: hoeveel wordt iemand in zijn of haar dagelijkse leven beperkt? We zien hier mensen met een spinnenfobie die hun eigen huis mijden, omdat er weleens een spin zou kunnen zitten. Er zijn ook cliënten met hoogtevrees die de trap niet op kunnen of hun kantoorgebouw niet in durven. Elke angst kan een vorm aannemen die je vrijheid ernstig begrenst.”
Waarom iemand tijdens de behandeling op commando overgeeft
Blootstelling vormt de kern van effectieve angstbehandeling. Kroese: „Wat je wilt, is dat de hersenen leren dat je een fobische situatie aankunt zonder dat de gevreesde ramp zich voltrekt. Dat is een ontzettend grote stap voor mensen, want het voelt alsof ze het niet aankunnen. Bij emetofobie kan dat betekenen dat je daadwerkelijk aan overgeven wordt blootgesteld. Jazeker, er komt hier iemand overgeven, al klinkt dat behoorlijk vreemd als je het voor het eerst hoort. We werken met mensen die als het ware op commando kunnen kotsen.
Daartoe eten en drinken ze vooraf een hoeveelheid die zorgvuldig is onderzocht en die veilig en verantwoord is. Een voorbeeld? Een combinatie van Chocomel en marshmallows, producten die de maag goed vullen en die relatief gemakkelijk ‘terugkomen’. Deze vrijwilligers – ze ontvangen een vergoeding voor hun moeite – hebben er veel anderen mee geholpen. Hoe mooi is dat? Voor onze cliënten is het natuurlijk een reuzenstap om in de nabijheid te zijn van iemand die daadwerkelijk overgeeft. Maar door die confrontatie goed voor te bereiden en in alle rust te begeleiden, komen de meeste mensen er wel in één keer van af.”
Er bestaat, vertelt de psychologe, een belangrijk onderscheid binnen emetofobie. Er zijn mensen die vooral of uitsluitend bang zijn om zelf over te geven. Een andere groep is extreem bang om anderen te zien braken. En er is een categorie die beide angsten heeft. Dat onderscheid, zegt Kroese, is belangrijk voor de behandeling.

Emetofobie bepaalde jarenlang het leven van Daniëlle
Daniëlle Vloedman zocht nooit hulp. „Voor mijn generatie was psychologische hulp niet iets waar je gemakkelijk over praatte. Therapie, dat is stom. Dan ben je blijkbaar niet sterk genoeg het zelf op te lossen… Dat was mijn houding. Ik kende ook niemand die erover sprak. Emetofobie? Ik wist niet eens dat er een naam voor bestond. Ik wilde er bovendien niemand mee lastigvallen.
Achteraf heb ik mijn omgeving natuurlijk wel degelijk met mijn angst belast. Als iemand ziek was, belde ik bijvoorbeeld mijn man of die wilde komen. Dan kon ik weg. Als mijn dochter ziek was, deed ik hetzelfde. Dat klinkt misschien hard over je eigen kind, maar de angst nam het over. Je denkt alleen: zorg dat ik dit niet zie en dat het zo snel mogelijk voorbij is.
Als ik iemand observeerde die ziek was, wilde ik die persoon het liefst bij me houden. Idioot, hè? Ik bedoel: als iemand naast mij staat en overgeeft, is dat natuurlijk onprettig, maar ik weet in elk geval wat er gebeurt. Het idee dat er ergens anders iemand staat die ineens ziek kan worden, vond ik veel erger. Er zat ook een soort verantwoordelijkheidsgevoel in. Het ging niet alleen om mijzelf. Ik wilde iedereen beschermen.
Hoe vreemd het ook klinkt, voor mij voelde dat logisch. Als ik maar goed oplette, kon ik op tijd zien aankomen dat iemand ziek werd. Dan kon ik ervoor zorgen dat diegene naar een andere plek ging of dat ik zelf weg was. Je wilt constant controleren. Je kijkt niet meer gewoon naar mensen, maar bent voortdurend bezig met de vraag: zou deze persoon misselijk kunnen worden?
Zodra er anderen bij mij in de auto zitten, ben ik waakzaam. Een bocht of een rotonde neem ik voorzichtig. Ik wil niet dat iemand wagenziek wordt en kijk voortdurend in mijn achteruitkijkspiegel. Is iemand gaan verzitten? Slikt diegene veel? Ziet hij of zij er ineens anders uit?”
Waarom zelfs het woord ‘norovirus’ Daniëlle liet stoppen met eten
„Als ergens het norovirus heerste, stopte ik meteen met eten. Als er niets in mijn maag zit, kan er ook niets uitkomen. Ik kwam bij niemand in de buurt tot het virus was overgewaaid. Dat ging écht ver. Als het norovirus alleen al werd genoemd, dacht ik aan de mogelijkheid dat iemand besmet was en zou kunnen overgeven.”
Op het hoogtepunt van haar etemofobie ontsnapte er geen detail aan haar aandacht. „Het is minder geworden, gelukkig, maar als iemand zegt: ‘Je kunt een pak yoghurt twee of drie dagen na de datum nog prima eten’, denk ik: ja, jij misschien. Ik niet. Bij mij kon het juist al twee of drie dagen vóór de datum mis zijn. Vis, mosselen, oesters… die heb ik pas de laatste jaren leren eten.
Ook anderen in mijn omgeving mochten bepaalde dingen niet eten. ‘Daar kun je ziek van worden’, waarschuwde ik. Achteraf begrijp ik dat daar mijn eigen angst in zat. Ik was voortdurend bezig mensen te beschermen tegen ziek worden. Daardoor werd mijn voortdurende vrees verpakt als bezorgdheid. Zelf dronk ik lange tijd geen alcohol. Als je te veel gedronken hebt, ligt overgeven op de loer. Maar ik wilde ook niet dat mensen om mij heen zat werden. Mijn man mocht niet drinken in mijn aanwezigheid. Dat leidde tot ruzies. Ik zei dat ik niet van dronken mensen hield, maar dat was natuurlijk niet het hele verhaal. Ik was simpelweg bang dat hij over zijn nek zou gaan.
Als we ergens naartoe gingen, wilde ik zelf rijden. Dan had ik de controle. Ik kon dan ook bepalen wie er bij mij in de auto zat. Ik nam ab-so-luut geen dronken mensen mee. Voor anderen leek dat streng – voor mij was het een manier het risico te beperken.”
De ziekte van haar man veranderde Daniëlles omgang met emetofobie
Een paar jaar geleden veranderde er iets fundamenteels in het leven van Daniëlle. Haar partner Dirk werd ernstig ziek, kanker. Door de chemotherapieën gaf hij regelmatig over. „Dat was voor mij ontzettend moeilijk. Hij kon immers niet zeggen: ik doe het wel even ergens anders. Hij wist dat ik het heel erg vond. Dat maakte het voor hem ook zielig. Ik ben toen voor het eerst echt bij hem gebleven terwijl hij overgaf. Ik kon niet bij Dirk weggaan. Hij heeft mij nu nodig, realiseerde ik me. Ik hielp hem en ruimde het uiteindelijk ook op. Een enorme stap.
Ik merkte voor het eerst dat mijn angst niet altijd hoefde te bepalen wat ik deed. Ik vond het nog steeds verschrikkelijk. Maar mijn liefde voor Dirk overwon mijn angst. Ik kon niet meer weglopen; ik moest er voor hem zijn. Dat was een omslagpunt.”
Wat er volgens Maartje Kroese in het brein gebeurt bij een fobie
Maartje Kroese legt uit dat een fobie een aangeleerde associatie in het emotionele geheugen is, een ingebouwde waarschuwing voor paniek, gevaar of dreiging. „Je hebt op een bepaald moment in je leven geleerd: deze situatie is bedreigend, die vermijd ik. Het hoeft niet zo te zijn dat iemand een trauma heeft meegemaakt. Het kan een ervaring zijn die naar was. Vervolgens slaan de hersenen die situatie op als gevaarlijk.”
Angsten zijn dus aangeleerd. De Memrec-therapie is erop gericht die gewortelde angst in één keer af te leren. De therapie, licht ze toe, stelt de behandelde bloot aan datgene wat hij of zij zo intens vreest. „Op de behandeldag beginnen we altijd met een voorgesprek. Als iemand er klaar voor is, gaan we naar een behandelruimte. Daar zit de persoon die gaat overgeven al klaar. Vervolgens begeleiden we de cliënt in het aangaan van de angst. Er gebeurt niets wat hij of zij niet zelf besluit.
De cliënt moet de angst zélf aangaan. Wij doen het niet iemand aan. We vragen iemand bewust te zeggen: het is supereng, ik ben heel angstig, maar… Kom maar op. Ik ga dit in één keer doen! Vervolgens geeft de vrijwilliger over. Wij begeleiden de cliënt om ondanks de angst te blijven staan.
Dat is moeilijk, maar het lukt vaak wel. Het gaat om het loslaten van de controle. De angst voelt zó naar dat je ertegen gaat vechten. Je wilt vluchten, letterlijk. Maar om die enorme bangheid te overwinnen, moet je juist leren dat je die kunt voelen zonder meteen weg te rennen. De blootstelling duurt vaak maar een paar minuten. Daarna nemen de cliënten een pil, een bètablokker. In combinatie met de specifieke vorm van blootstelling zorgt die pil dat de angst niet op dezelfde manier kan worden opgeslagen in de hersenen.”
Volgens de kliniek werkt de Memrec-therapie bij 85 procent
De Memrec-therapie kent een hoog slagingspercentage: 85 procent. Dat is een resultaat dat er binnen de psychologie mag zijn. „Veel mensen met een fobie zijn moedig. Dat klinkt wellicht raar, omdat je vooral angst ziet. Maar iemand die jarenlang alles heeft gemeden en besluit om in een behandelkamer tegenover zijn grootste angst te gaan zitten, doet iets enorms!”
Kroese vervolgt: „Het is bovendien belangrijk te onthouden dat mensen met een fobie geen vreemde snuiters zijn. Het zijn niet per definitie angstige of kwetsbare types. Je kunt advocaat zijn, banketbakker, wetenschapper… het zegt niets over intelligentie of rationaliteit. Soms zie je juist dat heel weldenkende mensen het moeilijk vinden om van zichzelf te accepteren dat ze op één specifiek punt zo angstig kunnen reageren.
We merken dat mensen uit het hele land en zelfs uit het buitenland naar ons toe komen. Dat vind ik mooi en verdrietig tegelijk. Het bewijst hoe onderbelicht fobieën nog zijn.”
Dit zijn de best gelezen artikelen van dit moment:
Foutje gezien? Mail ons. Wij zijn je dankbaar.






















